Home van Bijbeluitleg

De naam Israël

Inleiding

Een van de zaken die nogal op verschillende manieren meermalen over lange tijd door verschillende Bijbelleeraren wordt verkondigd is dat de naam Israël toebehoort aan de verloren 10 stammen en daarbij wordt ook verkondigd dat de Joden de Israël onrechtmatig gebruiken. M.a.w. als er in de Bijbel over Israël gesproken wordt, moet dit gaan over de verloren 10 stammen. Toch is zijn de apostelen die meermalen het woord Israël toepassen om het volk wat in hun dagen zich in het beloofde land bevindt.
Dus is meteen de vraag of de apostelen dit dan verkeerd zeggen? Of is het zo dat enkel de verloren 10 stammen zich daar bevinden te Jeruzalem?
Dat deze beide vragen negatief beanwoord dienen te worden, geeft grond voor schriftonderzoek en toetsen van de leerstellingen:

De scheiding tussen Juda en Efraïm

Dat de naam Israël toebehoort aan Jakob de zoon van Izak wordt over het algemeen niet ter discussie gesteld. Dat daardoor alle twaalf zonen samen ook deze naam dragen is ook een bekend feit. Toch is er een moment waarop deze 12 zonen niet meer één volk vormen.
de Statenvertaling online
1 Koningen 11
29 Het geschiedde nu te dier tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren; 30 Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken. 31 En hij zeide tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven. 32 Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israël. 33 Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, den god der Sidoniërs, Kamos, den god der Moabieten, en Milchom, den god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David. 34 Doch niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft. 35 Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven. 36 En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb, om Mijn Naam daar te stellen. 37 Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn over Israël. 38 En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven. 39 En Ik zal om diens wil het zaad van David verootmoedigen; nochtans niet altijd.


In de dagen na Salomo wordt het Koninkrijk van Salomo weggenomen en worden 10 stammen aan Jerobeam gegeven. Dit vanwege de ongehoorzaamheid van Salomo. God had een belofte aan David had gedaan en had Jeruzalem als uitverkoren stad gesteld om in te gaan wonen. Om die reden wordt de zoon van David een stam gegeven. Vanaf die dagen zijn er twee koningen in het land Israël, een over Juda (2 stammen) en een over Israël (10 stammen). Deze vernedering zou echter niet altijd voortduren er zou een tijd komen waarin er uit Juda weer een koning zou zijn over alle 12 stammen (vers 39).

In de boeken Koningen en Kronieken worden de 10 stammen aangeduid met de naam Israël en de 2 stammen met de naam Juda, met name als er onderscheid tussen deze twee groepen gemaakt wordt. In de boeken van de profeten worden de groep van de 10 stammen ook aangeduid met de naam Efraim en ook met Israel. Toch is het absoluut niet zo dat deze naam Israël enkel voor deze 10 stammen is en niet wordt toegepast op de 2 stammen. Want vlak na de scheiding waneer Rehabeam koning is over Juda en Jerobeam over de 10 stammen, staat er het volgende geschreven:
de Statenvertaling online
2 Kronieken 12
1 Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans Israël met hem.

Hoewel de naam Israël toegepast wordt op het volk van Jerobeam, wordt het ook toegepast op het volk van Rehabeam. En de term gans Israël geeft aan dat ook de twee stammen de naam "gans Israël" dragen.

De ballingschap van Efraïm en Juda

De eerste koning over het Noordelijke rijk was Jerobeam. Hij wist niet lang in de voetsporen van David te blijven, hetgeen hem wel duidelijk was voorgehouden (zie tekstgedeelte over splitsing van Efraïm en Juda). Jerobeam werd hierdoor oorzaak van de zonde van Efraïm (10 stammen). Dit resulteerde in de profetie van Amos tegen Jerobeam:
de Statenvertaling online
Amos 7
11 Want alzo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.


Na Jerobeam zijn er nog 18 koningen geweest over Israël, maar bij de 19e koning werd deze profetie compleet vervuld. In 2 Koningen 17 en 18 lezen we de geschiedenis van de wegvoering van Israël door de Assyriërs. God heeft ze verworpen en een scheidbrief gegeven omdat ze ongehoorzaam waren.
de Statenvertaling online
Jeremia 3:8
En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook.


Hetzelfde lot van ballingschap treft later ook Juda, daar deze door de Nebukadnezar naar het rijk van Babel worden weggevoerd in ballingschap. Echter God had bij de scheuring van het rijk al aangegeven dat Jeruzalem een voorbestemde plaats zou zijn. Waarschijnlijk dat de Heere daarom dan ook via de woorden van de profeet Jeremia liet weten dat de verwoesting van Jeruzalem voor 70 jaren zou zijn en dat daarna de tijden van Babel ten einde zouden zijn. En na 70 jaren is dan ook deel van de inwoners van het zuidelijke rijk teruggekeerd uit de ballingschap. Dat deze groep niet enkel uit twee stammen bestond, blijkt uit vele schriftplaatsen.

Over het algemeen wordt echter de naam Israël vaker toegepast op het volk van Jerobeam. Maar we hebben ook al gezien dat het ook werd toegepast op het volk van Rehabeam. Ook in Ezechiel, die 100 jaar na de ballingschap van de Noordelijke rijk, dat hij schrijft over de inwoners van Jeruzalem in zijn dagen:
de Statenvertaling online
Ezechiel 12:6
Voor hun ogen zult gij het op de schouders dragen, in donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want Ik heb u den huize Israëls tot een wonderteken gegeven.

De overgeblevenen in het land, en dan met name die te Jeruzalem worden, zijn ten eerste het zuidelijke rijk, waaronder zich ook een gelovig overblijfsel van de stammen van het noordelijke zich bevindt. Deze groep ontvangt dit teken en ze worden hier door de Heere zelf genoemd: Huize Israël.

Maar ook de profeet Jesaja past de naam Israel en de naam Jakob toe op het volk dat voorkomt uit Juda:
de Statenvertaling online
Jesaja 48
1 ¶ Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israëls, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.
......
12 Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.

De namen huis van Jakob, Jakob en Israel worden in Jesaja 48 toegepast op het volk dat moet uitgaan van Babel, omdat zij in de Babelonische ballingschap daarheen zijn gevoerd. Dit volk werd dus met deze naam genoemd, terwijl duidelijk mag zijn dat deze groep de Joden waren.

Duidelijk is dat zowel Juda (2 stammen) alswel Efraïm (10 stammen) met de naam "gans Israël" en "huis Israël" worden aangsproken. Er is niet een van beide hiervan uitgesloten. Dat het niet een onrechtmatig gebruik is van de Joden om de naam Israël te gebruiken blijkt wel uit het feit dat de Heere zelf is die ze zo noemt, terwijl de 10 stammen reeds in ballingschap zijn.

Voor het overzicht tussen profeten, koningen en tijden van Balliscchap volgt hier een chronologisch overzicht:

Chronologisch overzicht Koningen en Profeten

Waren de Joden enkel de twee stammen?

De naam Jood of Joden komen we voor het eerst tegen in 2 Koningen 16, waar gesproken wordt over de tijd van Achaz de koning van Juda.

de Statenvertaling online
2 Koningen 16
1 In het zeventiende jaar van Pekah, den zoon van Remalia, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, den koning van Juda. 2 Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN zijns Gods, als zijn vader David. 3 Want hij wandelde in den weg der koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor de kinderen Israëls verdreven had. 4 Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte. 5 Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden. 6 Te dierzelfder tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath weder aan Syrië, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriers kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op dezen dag.

Pekah was de een na laatste koning over het Noordelijke rijk en in zijn dagen werd er gesproken over Joden. De Joden waren de bewoners van het zuidelijke rijk. En woonden in ieder geval toen in Elath.

Als we dan terug gaan naar de tijd van de eerste koning over Efraim (10 stammen), dan blijkt dat de scheiding al niet precies gemaakt wordt. Het blijkt namelijk dat in Juda er veel meer stammen waren en die stammen, die daar waren, behoorden tot Juda na de scheiding.
de Statenvertaling online
1 Koningen 12
17 Doch aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.
In vers 16 staat dat Israel zich onttrekt aan de macht van Rehabeam, maar dan staat er expliciet bij dat Rehabeam wel regeerde over de kinderen Israels die zich in de steden van Juda bevonden. Over 2 stammen kan dus al niet meer gesproken worden.

Maar ook niet veel later in de tijd zijn er nog meer van Israel die Rehabeam voegen. Als eerste zijn het alle Levieten die door Jerobeam worden verworpen en dus massaal aan Juda worden gevoegd. Daarnaast kwamen de gelovigen uit alle stammen.
de Statenvertaling online
2 Kronieken 11
12 En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gans zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne. 13 ¶ Daartoe de priesteren en de Levieten, die in het ganse Israël waren, stelden zich bij hem uit al hun landpalen. 14 Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen. 15 En hij had zich priesteren gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. 16 Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om den HEERE, den God Israëls, te zoeken, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, offerande deden. 17 Alzo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, den zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David, en Salomo.

Dus in het zuidelijke rijk bevonden zich alle Levieten, Judaieten, Benjaminieten en lieden uit elke stam. En dat nog tijdens de eerste koningen over beide rijken. In het twintigste regeringsjaar van Jerobeam wordt Asa koning over Juda. En tijdens diens regering lezen we het volgende over stammen die zich voegen bij Juda.
de Statenvertaling online
2 Kronieken 15
9 En hij vergaderde het ganse Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat de HEERE, zijn God, met hem was. 10 En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa. 11 En zij offerden den HEERE ten zelfden dage van den roof, dien zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen. 12 En zij traden in een verbond, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, zoeken zouden met hun ganse hart en met hun ganse ziel.


Asa roeit de afgodendienst uit en er waren nogmaals groepen uit de andere stammen die zich bij het zuidelijke rijk voegden. Namelijk nogmaals tot het versterken van de koning van Juda. Ditmaal worden ook drie stammen expliciet genoemd, namelijk Efraïm, Manasse en Simeon, die zich bekeren tot God.
Het zou nog vele koningen duren voordat het noordelijke rijk in ballingschap zou gaan en reeds nu was er een gelovig deel van de 10 stammen in menigte tot Juda gevallen. Als dus meer dan 10 koningen later de naam "Joden" wordt gebruikt, gaat dit over een groep die uit meer dan 2 stammen bestaat.

Als we dan gaan naar de tijd rond de ballingschap van het Noordelijke rijk, dan zijn we ten tijde van Hosea, de laatste koning van Israël. Hij regeerde negen jaar en begon zijn regering in het twaalfde jaar van Achaz (2 Koningen 17). Hierna is Achaz nog 4 jaar koning over Judea, voordat Hizkia het koningschap op zich neemt. Als Hizkia dan 5 jaar koning is over Judea, wordt Israël in de Assyrische ballingschap gevoerd. Daarna wordt in het veertiende jaar van Hizkia ook Jeruzalem belegerd door de Assyriers. (2 Koningen 18, 2 Kronieken 32). Ook in de dagen van Hizkia worden er brieven geschreven aan gans Israël, Efraïm en Manasse en deze worden beschouwd als de groep die is ontkomen aan de ballingschap. Zogezegd een groep die het overblijfsel vormt.

de Statenvertaling online
2 Kronieken 30
1 Daarna zond Jehizkia tot het ganse Israël en Juda, en schreef ook brieven tot Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis des HEEREN te Jeruzalem, om den HEERE, den God Israëls, pascha te houden. 5 Zo stelden zij zulks, dat men een stem door gans Israël, van Ber-seba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha den HEERE, den God Israëls, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, gelijk het geschreven was. 6 De lopers dan gingen henen met de brieven van de hand des konings en zijner vorsten, door gans Israël en Juda, en naar het gebod des konings, zeggende: Gij, kinderen Israëls, bekeert u tot den HEERE, den God van Abraham, Izak en Israël, zo zal Hij Zich keren tot de ontkomenen, die ulieden overgebleven zijn uit de hand der koningen van Assyrie. 7 En zijt niet als uw vaders en als uw broeders, die tegen den HEERE, den God hunner vaderen, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet. 8 Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uw vaderen; geeft den HEERE de hand, en komt tot Zijn heiligdom, hetwelk Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient den HEERE, uw God; zo zal de hitte Zijns toorns van u afkeren. 9 Want als gij u bekeert tot den HEERE, zullen uw broederen en uw kinderen barmhartigheid vinden voor het aangezicht dergenen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen wederkomen; want de HEERE, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo gij u tot Hem bekeert. 10 Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij belachten hen, en bespotten hen. 11 Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.


Toen Israël (10 stammen) in ballingschap was en verstrooid werd onder de heiden, toen waren er ook van Israël uit Aser, Simeon, Zebulon, Efraïm en Manasse, die nog wel degelijk achtergebleven waren. Dat er een overblijfsel zou zijn in het land komen we ook in de profetien over de ballingschap tegen. Sommigen uit dit overblijfsel bekeerden zich en kwamen tot Jeruzalem. De stammen, Efraïm, Aser, Manasse en Zebulon worden expliciet genoemd.

Tevens blijkt dat koning Josia zijn rijk verder had uitgebreid dan tot het gebied wat wij als zuidelijk rijk tot nu toe hadden beschouwd.
de Statenvertaling online
2 Kronieken 34
1 Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem. 2 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand. 3 Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen. 4 En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baals; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden. 5 En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem. 6 Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom, 7 Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israël; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem. 8 In het achttiende jaar nu zijner regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azalia, en Maaseja, den overste der stad, en Joha, den zoon van Joahaz, den kanselier, om het huis des HEEREN, zijns Gods, te verbeteren. 9 En zij kwamen tot Hilkia, den hogepriester, en zij gaven het geld, dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het ganse overblijfsel van Israël, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren;


Het blijkt dat de koning van het zuidelijke rijk nu ook koning is over een groot deel van de noordelijke steden. Tevens worden hier weer Efraïm en Manasse apart genoemd, waarbij nogmaals duidelijk wordt deze groep sterk vertegenwoordigd is onder het volk dat zich in het land bevindt na de ballingschap. En ze doen mee aan de gift voor het herstel van de tempel, waaruit toch blijkt dat zij een ijver tot God hadden.
Ter verduidelijking is hieronder een overzichtskaart geplaatst, waarin het koninkrijk van Josia goed zichtbaar wordt.

Koninkijk Josia was veel groter dan over de twee stammen

Helaas was het voor dit zuidelijke rijk ook niet af te wenden om in ballingschap te vallen. Zij werden uit hun land weggevoerd. Maar over hen was de profetie uitgesproken dat deze ballingschap 70 jaren zou duren. Wanneer we dan lezen over deze groep die terugkomt uit de ballingschap, dan is de vraag wie er na die tijd woonden.

Wie keerden er terug uit de ballingschap?


Als we Jeremia lezen, ontdekken we dat er nog een overblijfsel was in het land, nadat de ballingschap voor Juda had plaatsgehad. En dat alle Joden direct terugkeerden uit alle steden, toen ze hiervan hoorden:
de Statenvertaling online
Jeremia 40
11 Als ook al de Joden, die in Moab, en onder de kinderen Ammons, en in Edom, en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had; en dat hij Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan, over hen gesteld had;
12 Zo keerden al de Joden weder uit al de plaatsen, waarhenen zij gedreven waren, en kwamen in het land van Juda tot Gedália te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijns en zomervruchten.

Van dit volk wat hierna in het land was, vluchtten velen naar Egypte (2 Koningen 25:26, Jeremia 41:17).
Wanneer we echter Nehemia lezen, dan vertelt hij dat er ten tijde van de terugkeer in zijn dagen ook nog steeds een overblijfsel was in het land. (Nehemia 1:2). In die dagen van werd iedere stam die zich ook maar ergens bevond de kans gegeven om terug te keren tot hun land.
de Statenvertaling online
2 Kronieken 36
23 Zo zegt Kores, koning van Perzie: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.

Iedereen die zich tot het volk van God rekende, mocht terugkeren naar het land. Dat dit niet specifiek gold voor mensen van de laatste ballingschap, blijkt wel uit het feit dat Kores koning was over de gehele wereld. Zijn koninkrijk was in ieder geval zo groot als dat van de Assyriers, waarheen het Noordelijke rijk was gevoerd. Dat Kores hiertoe geroepen was, lezen we ook in de profetie van Jesaja:

de Statenvertaling online
Jesaja 44,45
28 Die van Kores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot den tempel: Word gegrond. 1 ¶ Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen der koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: 2 Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan. 3 En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israël; 4 Om Jakobs, Mijns knechts wil, en Israëls, Mijns uitverkorenen; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kendet.

God heeft dus de koning Kores uitverkoren, omdat Hij wou dat Kores ging zorgen dat Jeruzalem gebouwd ging worden en dat de Tempel gegrond ging worden. Hiertoe heeft God er zorg voor gedragen dat alle volken voor Kores werden nedergeworpen. Dat niet iedereen hieraan gehoor heeft gegeven, kan uiteenlopende redenen gehad hebben. Een daarvan kan zijn dat men zich niet meer tot het volk van de Heere rekende. Een ander kan zijn dat God ze niet tot het volk meer rekende, want er waren vele profetieen uitgesproken dat een deel van het volk zou vallen en niet meer Gods volk zou zijn. God heeft Zelf de ballingen opgewekt om terug te keren, zoals we kunnen lezen in Ezra:
de Statenvertaling online
Ezra 1
5 ¶ Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesteren en de Levieten, benevens een iegelijk, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des HEEREN, die te Jeruzalem woont. ;

Juda, Benjamin en Levi worden specifiek genoemd, en daarbij waren er nog anderen waarin God de geest verwekte om terug te keren. Dat er wel degelijk andere stammen onder de teruggekeerden waren, kunnen we lezen in 1 Kronieken 9, waar gesproken wordt over de inwoners van het land NA de ballingschap.
de Statenvertaling online
1 Kronieken 9
1 En gans Israël werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, om hunner overtredingen wil. 2 De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim. 3 Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;

De Israëlieten kwamen als eerste weer terug na de Babylonische ballingschap. In Jeruzalem waren de Levieten, priesters, Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse. Dit waren ook de stammen die zich al eerder bij Juda hadden gevoegd. En die we al vaker waren tegengekomen als overblijfsel van de groep die als eerste in ballingschap was gegaan.

Ook Ezra schrijft over de wederkomst na de Babylonische ballingschap.
de Statenvertaling online
Ezra 2
1 Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad; ......................

70 En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israël in zijn steden.


Zeer duidelijk wordt de naam gans Israël hier toebedeeld aan de inwoners van Israël, die in het land wonen na de terugkeer van de Joden.
Ezra spits zich toe op de wederkeer van de ballingen die door Nebudkadnezar waren weggevoerd, maar de uitnodiging van Kores was voor alle ballingen van beide ballingschappen, natuurlijk. Dat het hier niet enkel over 2 stammen gaat, maar over meerdere stammen die aanwezig zijn in het land, blijkt ook uit het feit dat er in die dagen voor de 12 stammen een offer gebracht wordt.
de Statenvertaling online
Ezra 6
17 En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël, naar het getal der stammen Israëls.


Hoewel het niet expliciet vermeld staat, doet het toch sterk vermoeden dat alle stammen dan ook vertegenwoordigd waren onder de Joden.
Hoe dan ook, ook hier wordt de naam gans Israël gebruikt voor de groep die terug gekeerd is samen met de groep die er nog was.
Deze groep wordt ook genoemd Joden, maar juist op ander plekken weer Israël. Men vergelijke hiervoor Esther, Nehemia en Ezra, waarbij Ezra de naam Joden niet gebruikt en de naam Israel juist niet voorkomt in Esther en beide groepen wel worden genoemd in Nehemia. En dit terwijl het over dezelfde groep gaat.

Onderstaande afbeelding geeft weer waar de teruggekeerden vanuit de ballingschap vandaan kwamen:

Welke stammen kwamen terug uit de ballingschap?

In Ezra lezen we dat er ook mensen terugkeerden naar Ai en Bethel:
de Statenvertaling online
Ezra 2
28 De mannen van Beth-el en Ai, tweehonderd drie en twintig.


Bethel was een stad die behoorde tot Efraïm en waar Jerobeam een heidense offerplaats had gemaakt.
Josia had in zijn dagen juist de afgodendienst hier afgebroken, alswel op andere plaatsen in Samaria (2 Koningen 23:19)
Ook naar deze plaats keerden bewoners terug. En later gaan hier Benjaminieten wonen (Nehemia 11:31)

Wie zijn Israel in het Nieuwe Testament?


Dat de Joden niet een groep zijn uit enkel 2 stammen is reeds aangetoond, maar ook in het Nieuwe Testament vinden we hiervoor een bewijs. Namelijk in Lukas 2.
de Statenvertaling online
Lukas 2
36 En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit den stam van Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af. 37 En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.


Het is Anna die zich dag en nacht in de tempel bevindt. Wanneer men echter andere schriftplaatsen ernaast legt, dan blijkt dat enkel de Joden in de tempel kwamen en dat de heidenen niet in de tempel mochten komen.
de Statenvertaling online
Johannes 18:20
Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.


Als een heiden in de tempel werd ingebracht, dan werd dit ook als ontheiliging van de tempel beschouwd. De heidenen mochten niet verder komen dan de voorhof. Paulus wordt er van beschuldigd wel een heiden ingebracht te hebben.
de Statenvertaling online
Handelingen 21
28 Roepende: Gij Israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.


Hieruit blijkt dat de profetesse Anna niet tot de heidenen behoorde, maar tot de Joden in die dagen. Want zij was alle dagen in de tempel en er was niemand die daar een punt van maakte.
Opmerkelijk ook is dat de Joden elkaar Israëlitische mannen noemen en niet Judaistische mannen in Handelingen 21.

Dat het volk dat God diende in de dagen van de Heere Jezus niet enkel maar uit 2 stammen bestond, blijkt ook uit de volgende woorden van Paulus:
de Statenvertaling online
Handelingen 21
6 En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is; 7 Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.


Wanneer met de context bestudeerd van Handelingen 21 dan kan men verstaan dat Paulus aangeeft dat de Joden hem ergens van beschuldigen waarvan hij zegt dat het de belofte is die juist aan hun en dus zijn voorvaderen is gedaan. Paulus spreekt over "onze twaalf geslachten" die dag en nacht God dienen. Dit impliceert dat Paulus zich niet rekent tot een groep van 2 stammen, maar tot een groep van twaalf stammen. En dat deze groep van 12 stammen God dient, wekt sterk de intentie dat de Joden dus alle 12 stammen vertegenwoordigen. Want buiten de Joden is er in die dagen niet een volk die God dient dag en nacht. Ook Jakobus richt zijn brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing, waarbij hij dus spreekt over een groep die niet uit 10 bestaat, niet uit 2, maar uit alle twaalf, waarbij hij zich richt op het deel dat in de verstooiing is in zijn dagen. Uit het boek Handelingen is op te maken dat de Joden zich overal en nergens bevonden in die dagen. In vele plaatsen was een synagoge te vinden met Joden en Jodengenoten. Tevens zijn er Joden die in de dagen van Jakobus vluchten, omdat ze zich juist tot de Gemeente bekeerd hebben, waaraan Jakobus zijn brief richt.

Wie worden bedoeld met de naam Israël?

Uit bovenstaande is al gebleken dat er onder de naam Israël niet een specifieke groep valt. Het zal blijken dat de context moet verklaren wie er worden begrepen onder deze term, het kan zijn:

  • Jakob
  • De twaalf zonen
  • De twaalf stammen
  • Het Noordelijke rijk (10 stammen)
  • De Joden

    Wanneer we in het Nieuwe Testament de naam Israël tegenkomen, wordt deze eigen sect toegepast op het volk van God, namelijk de Joden. Een toepassing van de naam Israël op de verstrooide stammen wordt gevonden in aanhalingen van profetien. Maar wordt daarmee toegepast op het volk Israël wat in die dagen wordt vertegenwoordigd door de Joden. Men leze daarvoor Romeinenen 9 - 11.

    Dat de Joden in de dagen van de Heere Jezus het huis Israël vormen, blijkt uit de volgende woorden van de Heere Jezus.


    de Statenvertaling online
    Matthéüs 10
    5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen. 6 Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israëls. 7 En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

    De Heere Jezus geeft duidelijk aan waar deze verloren schapen van het huis Israël te vinden zijn. Niet onder de Samaritanen (waar een vermengen van 10 stammers en heidenen woonde) en niet onder de heidenen. De verloren schapen van het huis Israël wonen dus binnen de palen van het land Israël. Dat deze tekst ook werkelijk niet handelt over de verloren stammen, wordt nog eens bevestigd in het volgende vers:
    de Statenvertaling online
    Matthéüs 10
    23 Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg ik u: Gij zult uw reis door de steden Israëls niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn.


    Ook Johannes predikte zijn boodschap aan de Joden, maar die groep wordt ook genoemd "volke Israëls"
    de Statenvertaling online
    Handelingen 13
    24 Als Johannes eerst al den volke Israëls voor Zijn aankomst, gepredikt had den doop der bekering.


    Paulus zegt van zichzelf meermalen dat hij een Israëliet is, dat hij een Jood is en dat hij uit de stam van Benjamin is. Hij geeft ook aan dat niet elke Israëliet die naar het vlees een afstammeling is van Jakob ook een ware Israëliet is. Paulus legt uit dat een ware Israëliet een Israëliet is waaraan de belofte vervuld wordt. En het is een logische conclusie dat dus de ware Israëliet gekenmerkt wordt door geloof. Een ware Israëliet is dus iemand die niet enkel van voorhuid besneden is, maar ook van hart besneden is.

    de Statenvertaling online
    Romeinen 9
    6 Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, 7 en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. 8 Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht.


    Dit onderscheid dat Paulus maakt, maakt het er niet makkelijker op te bepalen wie er nu precies bedoeld wordt met de term Israël. Paulus begint met Romeinen 9 te schrijven over Israëlieten die zijn broeders zijn naar het vlees en die het evangelie afgewezen hebben. Maar dat dus God's woorden niet vervallen zijn, want er is dus wel een deel van Israël waaraan deze beloftes vervuld worden, die beloofd zijn aan de voorvaderen. Als we echter de hoofdstukken 10 en 11 volgen van Romeinen, dan zien we daarin de naam Israël een aantal malen genoemd. Een belangrijke vinden we in hoofdstuk 11.



    de Statenvertaling online
    Romeinen 11
    7 Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.


    In dit hoofdstuk handelt Paulus over de verharding van Israël en noemt dat er een deel verhard is geworden van Israël. Wanneer we echter het boek Handelingen lezen, dan noemt Lukas die groep steeds Joden die verhard werden. Hier in vers 7 wordt gezegd dat de uitverkoren van Israël het verkrijgen en dat het andere deel verhard is geworden. Dat de uitverkorenen de gelovigen zijn, blijkt wij uit het feit dat Paulus, een Jood zijnde, zelf deel is van die uitverkoren deel.
    Het onderscheid wat Paulus maakt ten opzichte van Israël, waarbij er dus een waar deel is en een vleselijk deel, dat maakt hij ook bij de Joden.
    Paulus geeft aan dat er beloften zijn gedaan aan Israël, die God vervuld aan Israël. Dat een deel van Israël (vleselijk) niet tot kinderen wordt aangenomen betekent niet dat Gods beloften niet vervuld worden, maar dat niet elke Israëliet een ware Israëliet is. Een ware Israëliet is er een uit de belofte en heeft met aardse afstamming niets meer van doen. De kinderen van de belofte worden voor zaad gerekend. En hetzelfde wordt door Paulus gesteld over de zonen van Abraham. De heidenen zijn in Christus deel geworden van het volk waaraan de beloften vervuld worden en daardoor dus zonen van Abraham geworden.
    Het onderscheid tussen een Israeliet en een ware Israeliet vinden we ook bij de term Jood. Waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de Jood en de ware Jood.

    de Statenvertaling online
    Romeinen 2
    28 Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; 29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.


    Dus niet alle Joden zijn ware Joden, maar een ware Jood is een gelovige Jood. We mogen hieruit concluderen dat Paulus geen onderscheid maakt tussen de term Jood of de Israëliet. En dat hij met de term Israël de Joden bedoeld in zijn dagen en dat hij met de term Joden dus Israël bedoeld.

    Naast Paulus is het ook Petrus die geen onderscheid maakt tussen Israëliet en Jood en zelfs de term "het ganse huis Israëls" op van toepassing brengt op de Joden.

    de Statenvertaling online
    Handelingen 2
    5 En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volken dergenen, die onder den hemel zijn. .... 8 En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn? 9 Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judéa, en Cappadocie, Pontus en Azie. 10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libyë, hetwelk bij Cyréne ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten; 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken. .... 14 Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan. .... 22 Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazaréner, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet; .... 29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. ... 36 Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt. 37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?


    Uit deze verzen blijkt dat Petrus de Joden en Jodengenoten zijn broeders noemt en dat hij ze tevens "het ganse huis Israëls" noemt. De term broeder, die Petrus hier gebruikt werd niet toegepast op inwoners van Samaria, dus het gaat hier duidelijk niet over heidenen.

    Wanneer men de evangelien naast elkaar legt, dan kan men ook lezen de Christus ten tijd van Zijn kruisiging in het Lukas Evangelie wordt genoemd "Koning der Joden" (Lukas 23:37), maar dat de andere Evangelien spreken over "de Koning van Israel" (Mattheus 27:42).


    Conclusies:

    De naam Israël is de naam die gegeven werd aan Jakob en daarna toebehoorde aan zijn zonen, die samen het volk van God vormden. Eerst heeft de naam toebehoort aan het volk dat uit 12 stammen bestond. Vanaf het moment dat er een scheuring ontstaat, wordt de naam toebedeelt aan zowel de 2 en de 10 stammen. Wanneer de groepen onderscheiden worden, dan heet de ene Juda en de andere Efraïm of Israël. Dit impliceert niet dat de groep Juda niet deel is van Israel of geen recht heeft op deze naam.

    Sinds de ballingschap van het noordelijke rijk, wordt deze groep nog Israël genoemd in de profetieën, maar worden daarbij beschouwd als zijnde "niet Gods volk". Het overblijfsel in het land wordt gevormd door meerdere stammen. Maar ook het zuidelijke rijk gaat in ballingschap, waarbij hiervan ook een overblijfsel in het land blijft.
    De groep van het zuidelijke rijk, draagt vanaf een van de laatste koningen de naam Joden, deze naam dragen zij ook in de ballingschap, maar worden daarin ook Israel genoemd.
    Wanneer het volk weer terugekeerd is, zijn het Efraïm en Manasse die deel uit maken van het volk dat te Jeruzalem woont. Maar tevens wordt er op meerdere plaatsen vermeld dat geheel Israel weer in zijn steden woont. De naam Israël wordt vanaf dan dan ook toegepast op het volk dat ook wel genoemd wordt de Joden.

    Paulus maakt onderscheid tussen een Israeliet naar het vlees en een gelovige Israeliet.
    Hij maakt ook onderscheid tussen het overblijfsel uit Israel en het Israël dat verhard is geworden.

    Wanneer men Romeinen 11 bestudeert en daarbij Efeze 2 en 3 leest, is de vraag gerechtvaardigd of de naam Israël dan ook niet van toepassing is op de Gemeente. Maar dit is aan de lezer om te beoordelen.