Home van Bijbeluitleg

Hoe zit het met Israël volgens Romeinen 9-11?

Inleiding

De Romeinenbrief wordt over het algemeen als "goed te begrijpen" ervaren, omdat Paulus alle gronden van het evangelie goed uiteenzet. Wat echter in deze brief toch als moeilijk wordt ervaren, zijn de hoofdstukken 9, 10 en 11. In deze hoofdstukken legt Paulus uit hoe het nu zit met Israël en hoe het nu kan dat beloftes die aan Israël beloofd zijn, nu vervuld worden aan de Gemeente. Maar ook legt hij uit dat de verharding van een deel van Israël niet voor altijd is. Het is tijdelijk en er zal een dag komen waarop ook dit voorbij is. Maar tot die tijd is de Gemeente het volk van God en dit volk bestaat niet enkel uit Israël, maar bestaat uit gelovigen uit alle mensen. Eerst de Jood, maar ook de Griek.

Romeinen 9 | Het ongeloof van Israël

Wanneer we "Romeinen 9" lezen, dan zet Paulus daar eerst uiteen dat Hij wel wenste verbannen te zijn van Christus, omwille van zijn vleselijke broeders. Want zijn vleselijke broeders zijn Israëlieten en voor hen was het volgende weggelegd: Tevens geeft Paulus aan dat zij de vaders hebben en dat Christus uit hen voortkomt, voor zover het het vlees betreft. Echter, wanneer wij het voorgaande hoofdstuk in Romeinen beschouwen, blijkt dat een aantal van deze zaken bij ons terecht is gekomen. Te weten: En dat is op zich niet zo vreemd, want Paulus gaat uitleggen hoe dit namelijk zo kan. In Efeze 2:12-19 wordt duidelijk dat wij, gelovigen uit de heidenen, deel hebben aan En dat dit dus niet expliciet meer is voorbehouden aan Israël. Dat wij in onze dagen de dienst aan God vervullen en dat dit niet meer gedaan wordt door Israël behoeft geen toelichting. Het enige dat wij niet direct gekregen hebben, is de wetgeving. Want de wet is vervuld door Christus.

Wannneer we dan verder lezen in Romeinen 9, dan wijst Paulus erop dat dit allemaal wel tot Israël behoort, maar dat er ook een reden is, waarom dit niet aan alle Israëlieten wordt vervuld. Want, niet alle Israëlieten behoren tot het ware Israël. Enkel, die Israëlieten aan wie de belofte vervuld wordt, die vormen het ware Israël. Afstamming alleen is niet genoeg, er behoort ook geloof bij. En als dat geloof ontbreekt, dan heeft God het recht om de belofte niet aan die Israëliet te vervullen. Is dat onrechtvaardig van God? Nee, zegt Paulus in vers 14. Er is nou eenmaal een groep die het verderf zal als doel heeft en een groep die de heerlijkheid tot doel heeft. Aan de mens is de keuze bij welke groep hij wil horen.

In vers 24 zegt Paulus dat wij geroepen zijn door God om te behoren tot de laatste groep, namelijk die de heerlijkheid ontvangen zullen. Terugkijkend naar vers 4, blijkt dat deze heerlijkheid voor Israël bestemd was en dus nu bij ons terechtkomt. Sommigen maken dan de denkfout dat de heerlijkheid dus niet meer bij de Joden hoort en dus nu bij de heidenen terecht is gekomen. Maar als we vers 24 compleet lezen, dan bestaat deze groep van geroepenen uit Joden en heidenen. Het zijn dus wel degelijk de Israëlieten die hieraan deel aan zullen hebben, maar zoals Paulus al uiteenzette in vers 6-23 betreft die het gelovig deel van Israël.

In vers 25 geeft Paulus een onderbouwing voor het feit dat niet alleen het gelovig deel van Israël hierin deelt, maar dat ook de heidenen deel hebben gekregen aan de heerlijkheid. Hij haalt daarvoor Hosea aan, waar het volgende staat:
de Statenvertaling online
Hosea 2:22
22 En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Rucháma; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi:
Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!


Paulus past deze tekst toe op gelovigen uit de heidenen, want de heidenen waren buitengesloten van Israël en behoorden niet tot het volk van God. Zij waren in de status van Lo-Ammi (niet Mijn volk) en worden door God genoemd Mijn volk. Dit is iets heel uitzonderlijks, want dit was in het Oude Testament verborgen (Efeze 3:5-6). En als je het in Hosea leest, valt het ook niet direct op dat de gelovigen uit de heidenen tot Gods volk zouden worden.

In Romeinen 9:26 geeft Paulus nog een onderbouwing, voor het feit dat de heidenen delen in de heerlijkheid die voorbestemd was voor enkel Israël. En weer haalt hij Hosea aan, waar staat geschreven:

de Statenvertaling online
Hosea 1
9 En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.
10 Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods.

Hosea profeteert hier over het Noordelijke rijk van Israël dat in zijn dagen zou verspreid worden onder de heidenen. En wanneer zij dan onder de heidenen zouden zijn, dan zou God niet hun God zijn en zouden zij niet meer Gods volk zijn. Tevens staat erbij dat wanneer zij onder de heidenen zijn en wanneer zij Gods volk niet zijn, dat God hen dan toch Zijn volk gaat noemen. Iets heel merkwaardigs, als je dit zo leest. Maar wat hierin verborgen staat is dat God alle gelovige heidenen zou maken tot Zijn volk. En dit feit blijft Paulus meermalen uitleggen in zijn brieven.

Wat Paulus niet bedoelt is dat de Israëlieten van het Noordelijke rijk, die onder de heidenen verstrooid waren, in onze dagen het geroepen deel uit de heidenen vormen. En dat zij dan samen met de Joden de Gemeente vormen. Paulus wil juist aangeven dat God al had aangekondigd dat er heidenen zouden zijn die tot Zijn volk gingen behoren. En Paulus legt uit dat dit dus is op grond van geloof.

In vers 27 van Romeinen 9, haalt Paulus nog een profetie aan en onderbouwt hiermee dat niet alle aardse afstammelingen van Israël het ware Israël vormen (Rom 9:6-8), want in Jesaja stond al geschreven:

de Statenvertaling online
Jesaja 10
22 Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid.
23 Want een verdelging, die vastelijk besloten is, zal de Heere HEERE der heirscharen doen in het midden dezes gansen lands.

Paulus shrijft dat God een afgesneden zaak zou doen op aarde. Er zou maar een overblijfsel overblijven van Israël. En dat overblijfsel bestaat dus niet uit alle Joden die in de dagen van Paulus nog overgebleven waren van Israël. Nee, zelfs binnen deze groep die er in zijn dagen was, zou er nog een overblijfsel zijn. Dit overblijfsel wordt gevormd door de gelovige Jood en de ongelovige Jood wordt afgesneden oftewel verdelgd (1 Thess 2:16). Dit wordt in Romeinen 11 nogmaals toegelicht door Paulus.

En daarnaast onderbouwt Paulus zijn uiteenzetting met nog een profetie uit het oude testament, waar staat:

de Statenvertaling online
Jesaja 1
9 Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sódom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomórra gelijk zijn geworden.

Wanneer men dit vers in Jesaja leest, dan zou men dit niet direct als profetie lezen. Echter, Paulus doet dat wel en geeft hiermee aan dat er maar een klein deel van Israël zal overblijven. Als dat niet gebeurt zou zijn, zou geheel Israël gelijk geworden zijn aan Sodom en Gomorra.

In vers 30 stelt Paulus voor dat het toch vreemd is dat de heidenen wel de rechtvaardigheid krijgen en dat Israël dat niet krijgt, terwijl Israël juist de rechtvaardigheid zocht. Hij geeft daarbij aan dat de heidenen de rechtvaardigheid ontvangen die op grond van geloof gegeven wordt. (dus niet alle heidenen ontvangen de rechtvaardigheid, enkel de gelovige heidenen). En dat is nou precies hetgeen dat bij Israël mist, namelijk het geloof. Het deel van Israël dat de rechtvaardigheid niet zal ontvangen, is dat deel dat zelf probeert zijn rechtvaardigheid op te richten. En dus stoten ze zich aan de Steen des aanstoots, namelijk aan Christus. Iets wat ook al in de profetieën voorzegd was. Maar niet alle Israëlieten hebben zich aan Hem gestoten.

Romeinen 10 | Rechtvaardigheid door geloof

Paulus begint "Romeinen 10" door uit te leggen dat het zijn doel is dat Israël gered zal worden. En dat hij daarvoor ook bidt tot God. Wat Paulus herkent bij Israël is dat zij de Rechtvaardigheid van God niet kennen en dus proberen zelf hun rechtvaardigheid op te richten. Hij geeft daarbij aan dat ze daardoor wel proberen God te dienen, maar dat ze Gods rechtvaardigheid niet dienen. En ook dit punt weet Paulus te onderbouwen met oudtestamentische schriftgedeeltes. In vers 6 spreekt Paulus over de rechtvaardigheid die uit de wet is en stelt die tegenover de rechtvaardigheid die uit het geloof is. Hij stelt daarbij duidelijk dat de rechtvaardigheid uit de wet niet uit het geloof is, zoals hij ook stelt in Galaten.

de Statenvertaling online
Galaten 3
11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
12 Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.

Wanneer we dit naast de uiteenzetting van Romeinen 10 leggen, blijkt dat Israël dus niet gerechtvaardigd kan worden. Want de rechtvaardigheid die zij zoeken, kan niet door een mens gehaald worden. De mens blijft overtreden en dus kan er door de wet niemand gerechtvaardigd worden voor God.

In vers 5 wordt gewezen op Mozes dat hij de rechtvaardigheid uit de wet beschrijft. En vervolgens wordt gewezen op de rechtvaardiging door geloof. Deze rechtvaardiging door geloof wordt ook door Mozes beschreven, wanneer hij de toekomst van Israël beschrijft. Paulus citeert hieruit en haalt Deutronomium 30 aan:

de Statenvertaling online
Deuteronomium 30
11 Want ditzelve gebod, hetwelk ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre.
12 Het is niet in den hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen?
13 Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen?
14 Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.

Paulus zegt dat Mozes in deze woorden "de rechtvaardigheid uit geloof" beschrijft. En Paulus geeft ook aan hoe dat dan uitwerkt, namelijk, dat Woord dat in onze mond is en in ons hart, dat wordt samengevat door: Met de mond belijden de Heere Jezus en met het hart geloven dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Want met het hart gelooft men waardoor men rechtvaardig wordt. En door het te belijden met de mond wordt men zalig. En dan te bedenken dat Mozes dit al opgeschreven had.

In vers 11 koppelt Paulus weer terug aan zijn onderwerp, namelijk dat dit niet alleen geldt voor de Joden, maar ook voor de Griek. Want een ieder die gelooft, zal niet beschaamd worden (Jesaja 28:16). En dit is dan een aanvulling op de boodschap van Deuteronomium, waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat dit alleen voor de Israëlieten bestemd was. In vers 12 benadrukt Paulus nogmaals dat dit is voor Jood en Griek (er is dus geen onderscheid). En in vers 13 onderbouwt Paulus dit ook nogmaals door Joël te citeren, waar staat:

de Statenvertaling online
Joël 2
32 En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen.

Petrus haalt in Handelingen 2 de verzen 28 - 32 aan uit Joël 2 en zegt dat dit is wat men hoort en ziet, wanneer men op de Pinkersdag spreekt in talen. In onze dagen stort God zijn Geest uit op alle vlees (niet enkel op Israël). Tevens geeft Joël aan dat er Hemeltekenen zullen zijn voordat de dag des Heeren aanbreekt. Maar tot die tijd geldt het principe uit vers 32, namelijk dat al wie de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. De rest van vers 32 geeft aan dat het enkel een overblijfsel betreft, die ontkomenen zullen aan de dag des Heeren.

De aanhaling uit Joël 2, bevestigt nogmaals de woorden van Paulus dat men met de mond belijdt tot zaligheid. Maar, dat belijden doet een mens alleen als hij er in gelooft. En hoe zal een mens iets geloven dat hij niet kent. En dus is er noodzaak voor Evangelisatie. Maar ook al is er evangelisatie, dit betekent niet dat men het ook automatisch aanneemt. Jesaja gaf dat zeer duidelijk aan in Jesaja 53:1, waarna Jesaja vervolgens schrijft over de Heere Jezus en diens bediening, lijden en verheerlijking. Maar waarin Jesaja dus ook profeteert dat niet een ieder dit verlossingswerk van onze Heere aanneemt.

In vers 18 zegt Paulus dat geheel Israël de boodschap gehoord heeft, in vers 19 stelt Paulus de vraag of ze het wellicht niet begrepen hebben. Maar hij geeft daarbij het antwoord dat wel te verwachten was, omdat Mozes al aangegeven had dat er een bediening zou zijn voor een ander volk om Israël tot jaloersheid te verwekken. En dat andere volk bestaat, zoals we inmiddels hebben begrepen uit gelovigen uit de heidenen. Maar hier komt Paulus op terug in hoofdstuk 11.

Paulus vervolgt dan nogmaals met een profetie uit Jesaja, waar staat:

de Statenvertaling online
Jesaja 65
1 Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.
2 Ik heb Mijn handen uitgebreid, den gansen dag tot een wederstrevig volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten.


Paulus zijn toelichting op deze verzen is dat Jesaja dus al voorzegd had dat er een volk zou ontstaan dat niet Gods volk was. De gelovigen uit de heidenen in het eerste vers. En dat er over Israël zelf wordt gesproken in het dus het tweede vers, namelijk dat God Zijn handen tot hen heeft uitgestrekt, maar dat zij naar Hem niet wilden luisteren.

Romeinen 11 | Het overblijfsel samen met de heidenen

Uit de laatste verzen van het voorgaande hoofdstuk zou men kunnen concluderen, dat God Israël geheel verworpen zou hebben en dat God enkel nog een volk zou hebben uit de heidenen in onze tijd. Maar Paulus begint "Romeinen 11" met meteen aan te geven dat niets minder waar is. Want, hij is zelf ook een Israëliet en wel uit de stam van Benjamin. Het volk is niet verstoten, maar er is enkel nog maar een overblijfsel van over, zoals hij ook al uitgelegd had in Romeinen 9:24-30. De Israëlieten die geloven, behoren tot dit overblijfsel.

Paulus onderbouwt dit met de woorden van Elia, die ook behoorde tot het overblijfsel in zijn tijd. In de onze tijd is dit overblijfsel naar de verkiezing van genade. En dat is dus niet op grond van werken. Dit verwijst terug naar de woorden van Paulus in hoofdstuk 10:5, waar gesproken wordt over de wet die de mens oproept om zichzelf te rechtvaardigen via werken. En met daarbij de uitleg dat geen mens zich kan rechtvaardigen voor God op deze manier. En dat het dus enkel kan op grond van geloof en dus op grond van genade van God, waardoor wij gered worden.

In vers 7 wordt het zeer duidelijk uiteen gezet hoe het nu dan zit met Israël, namelijk dat het ene deel verhard is geworden en dat het anderen deel uitverkoren is geworden. Het is dus verdeeld over twee groepen. En Paulus onderbouwt de verharding van Israël met profetieën uit Jesaja en uit de Psalmen. Want dit was door zowel Jesaja, alswel door David voorzegd. En dan zou je kunnen concluderen dat de verharding dus voorzegd was en dat daarom Israël verhard is geworden, namelijk omdat het nou eenmaal zo moest gaan. Maar dat is niet waar, stelt vers 11. Nee, hun verharding komt voort uit henzelf, omdat ze zich niet willen bekeren. En deze verharding zorgt ervoor dat de heidenen toegevoegd worden. En deze heidenen zouden Israël tot jaloersheid verwekken.

Dat er een deel van Israël verhard is geworden heeft tot voordeel dat de heidenen mogen toetreden. En deze heiden hebben tot doel om het verharde deel "tot jaloersheid te verwekken". En Paulus heeft dan ook de wens om enige van zijn vlees te mogen behouden. En dit doet hij door zijn bediening onder de heidenen, waardoor hij via hen zijn eigen vlees tot jaloersheid verwekt. Niet dat jaloersheid zelf een doel is, nee, het gaat Paulus erom dat enigen uit hen behouden worden. En dan ziet Paulus een dubbel voordeel: Hun verwerping is de verzoening van de wereld, en hun aanneming is het leven uit de dood. Kortom, een verharde Jood kan nog steeds tot bekering komen en wij, gelovigen uit de heidenen, hebben daarbinnen een belangrijke taak.

Vervolgens begint Paulus een vergelijking te trekken tussen de eerstelingen en het deeg en tussen de wortel en de takken.
Want als de wortel heilig is, dan zijn ook de takken heilig. Vervolgens zet Paulus het volgende uiteen:

Er zijn takken van deze heilige wortel afgebroken en er zijn takken ingeënt. Deze takken die ingeënt zijn, hebben deel gekregen aan de wortel en vettigheid van de Olijf.
Dus, de takken die afgebroken zijn, zijn niet meer heilig, hebben niet meer deel aan de wortel en delen niet meer in de vettigheid.
Van de takken die ingeënt zijn, wordt gezegd door Paulus "...en gij, een wilde olijfboom zijnde...", sommigen lezen hierin dat er een gehele boom geënt is op de edele olijf, buiten het feit dat dit niet kan, wordt dit in de context ook tegengesproken, want in vers 24 staat:

de Statenvertaling online
Romeinen 11
24 Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden?


En van die "gij" van vers 17 wordt in vers 24 duidelijk dat er dus takken van de wilde olijf zijn gehaald en dat dus niet de gehele wilde olijf op de tamme wordt geënt. Paulus schijft: ".... gij, een wilde olijfboom zijnde...", waar hij een vergelijk maakt met ".....gij, heidenen zijnde...". Dat betekent niet dat alle heidenen ingeënt zijn, maar wijst juist op de oorspronkelijke boom waartoe zij behoorden. Met het woordje "gij", verwijst Paulus terug naar de heidenen van vers 13, onder wie hij apostel is. Er is dus een deel van de heiden toegevoegd aan de Edele Olijf. Verderop vertelt Paulus waarom.

In dit vers worden de heidenen opgeroepen om zich niet te verheffen boven de afgebroken takken. Want de heidenen die toegevoegd zijn, zijn deel geworden van de boom. En de boom is niet deelgeworden aan hen. De wortel draagt de tak, de tak draagt niet de wortel.

De heidenen in de dagen van Paulus bleken zich te verheffen boven de afgehouwen takken (verharde deel van Israël), omdat zij afgehouwen zijn, zodat de heidenen ingeënt konden worden. Maar dat moesten de heidenen helemaal niet doen. Hetgeen zij wel moesten doen is juist dit verharde deel tot jaloersheid verwekken.

Dit vers geeft toelichting op de grond waarop iemand wordt toegevoegd en de grond waarop iemand wordt afgehouwen.
Want, de natuurlijke takken die zijn afgehouwen, de Israëlieten die er van nature (afstamming) bij horen, zijn afgehouwen op grond van ongeloof.
De onnatuurlijke takken die ingeënt zijn, die heidenen die er van nature niet bij horen, zijn ingeënt op grond van geloof.
(gij staat door geloof)
Het deel dat is blijven zitten in de olijfboom, is het gedeelte dat in vers 5 nog het overblijfsel is genoemd. Namelijk, het gedeelte dat wel tot geloof is gekomen, c.q. in het geloof is gebleven en waar Paulus zegt een deel van te zijn(vers 1-3).

Paulus geeft hier een ferme waarschuwing, want als God de natuurlijke takken niet spaart, dan moet een gelovige uit de heidenen, die dus van nature er niet bij hoort, helemaal oppassen.

God is goedertieren over de gelovige heiden en hij is steng over de ongelovige Israëlieten. De heidenen moeten er zelf voor zorgen om in deze goedertierenheid te blijven, anders wordt hij net zo goed afgehouwen.

Velen hebben moeite met deze woorden van Paulus, omdat men hierin leest dat als een gelovige heiden ongelovig wordt, dat hij dan verloren is. Maar Paulus spreekt in dit verband niet over het feit of iemand wel of niet verloren is. Hij heeft het over wie er deel heeft aan deze Edele Olijf en wie er dus heilig is en wie niet en dat op grond van in de goedertierenheid blijven.
Maar stel dat de boom wel het behoud van de gelovige representeert......
Aangezien de verharde Israëlieten eerst deel hebben gehad aan deze boom en nu afgehouwen zijn en toch weer ingevoegd kunnen worden, zou dat impliceren dat de verharde Jood eerst behouden is geweest, daarna verloren is gegaan (door zijn verharding) en dan toch weer behouden kan worden, als hij zich bekeert. Dat die verharde Jood ooit behouden is geweest, is dus zeer de vraag en dus kan niet zondermeer geconcludeerd worden dat deze boom de behoudenis representeert.

Vanwege dit vers lezen sommigen in de gelijkenis dat alle heidenen zijn toegevoegd aan de Edele Olijf en dus niet enkel de gelovige heidenen. En daarbij wordt dan gesteld dat de groep die in de goedertierenheid niet blijft, dat dat de groep heidenen is, die niet tot geloof komt. En dat dus Paulus de heidenen waarschuwt om tot geloof te komen, nu ze eenmaal in de boom geënt zijn.
Echter, deze leerstelling wordt gebasseerd op de stelling dat een gelovige heiden onmogelijk nog verloren kan gaan en dat deze Edele Olijf volgens de leerstelling toch de behoudenis wel representateert. Maar door deze uitleg eraan te geven impliceert hun leerstelling dat de Edele Olijf onmogelijk het behoud kan representeren, want anders zouden volgens hun leerstelling alle heidenen behouden zijn. Dit omdat de leerstelling schrijft dat alle heidenen toegevoegd zijn aan deze boom, waarvan een deel verloren zal gaan.

De woorden van Paulus "gij staat door geloof" spreekt het idee tegen dat alle heidenen ingeënt zouden zijn. En dat God goedertieren is over alle heidenen wordt in Romeinen 2 al expliciet tegengesproken. Alleen goedertieren over diegene die het goede werkt, eerst de Jood, maar ook de Griek. Kortom, de takken die gewaarschuwd worden, zijn gelovige heidenen, die ingevoegd zijn op grond van geloof.

De Israëlieten horen eigenlijk van nature thuis in de Edele Olijf. Maar zij zijn afgehouwen vanwege hun ongeloof. Ze hebben er dus eerst wel bij gehoord en zij kunnen echter nog steeds tot geloof komen, want God is bij machte de natuurlijke takken weer in te enten. Of dit laatste principe ook geldt voor de gelovigen uit de heidenen is de vraag. Ze worden echter wel afgehouwen als ze in de goedertierenheid niet blijven. Maar of ze daarmee verloren zijn, kan hieruit niet geconcludeerd worden. Daarvoor is gedegen schrift onderzoek nodig. De ongelovige Jood is verloren totdat Hij tot geloof komt, dit geldt ook voor de heiden.

Alvorens dit vers toe te lichten, is het wellicht goed om eerst een overzicht te geven van de twee Olijfbomen.

De Olijfbomen van Romeinen 11



Paulus geeft aan dat er een deel uit de Edele Olijf is gehaald, maar dat als dit deel tot geloof komt, dat zij alle grond hebben om weer ingevoegd te worden. Want dit zijn takken die van nature hierin thuis horen. Dit in tegenstelling tot de heidenen die er van nature niet in thuis horen. Dit geeft aan dat Paulus niet doelt op heidenen die voorheen wel tot deze Edele Olijf hebben behoord.

In dit vers openbaart Paulus een verborgenheid, namelijk: de verharding van Israël is tijdelijk.
Hij geeft aan dat deze verharding over Israël komt totdat de volheid van heidenen is ingegaan. Wat deze "volheid van de heidenen" betekent, wordt eigenlijk nergens goed uitgelegd. Er zijn wel andere schriftgedeeltes, die ook aangeven dat deze verharding tijdelijk zal zijn. Zo staat er bijvoorbeeld in Jesaja geschreven:

de Statenvertaling online
Jesaja 6
9 Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.
10 Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.
11 Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde.


Jesaja handelt hier over de verharding van Israël en deze teksten worden meermalen toegepast op het Israël in de dagen van de Heere Jezus en ook in de dagen van Paulus. En ook aan Jesaja wordt verkondigd dat deze verharding slechts tijdelijk is. Paulus onderbouwt echter niet met Jesaja, maar neemt daarvoor een geheel andere tekst, namelijk dat geheel Israël zalig wordt wanneer de verlosser uit Sion zal komen. En wanneer Hij komt, dan zal hij de goddeloosheden van Jakob afwenden. En Hij zal dan een nieuw verbond met Israël maken, waarin Hij hun zonden zal wegnemen.

Dat de Heere uit Sion komt, doet denken aan Romeinen 9, waar Paulus aanhaalde dat de steen des Aanstoots daar gelegd is. Dat is Christus. En Hebreeën 12:22 geeft aan dat Sion dus in de Hemel is, waar Christus is. Dus als Christus uit Sion komt, dan zal dat het moment zijn waarop Hij uit de Hemel nederdaalt. Vanaf dat moment zal dan de volheid van heidenen ingegaan zijn. Het is dan in de lijn der verwachting dat Israël zich zal bekeren als de Heere zich openbaart aan de wereld. Want elk oog zal Hem dan zien, ook zij die Hem doorstoken hebben (Openbaring 1:7). Onze toevergadering tot Hem zal ook zijn wanneer Hij uit de Hemel nederdaalt (1 Thes 4:13-18). En dus lijkt de volheid van heidenen ingegaan te zijn als wij tot Hem vergaderd worden. De woorden "volheid der heidenen" zouden daarmee kunnen duiden op het feit dat de tijd dat de heidenen ingaan konden tot deze edele olijf voorbij is en dat er dus weer een tijd aanbreekt dat het natuurlijke volk Israël weer compleet op aarde Gods volk vormt. Het verharde deel zal zich daarbij bekeren en dus worden de het ongeloof van Jakob afgewend.

De Joden, waarvan nu een deel verhard is, zullen dus eens in totaal tot aanvaarding van de Messias komen. Tot die tijd zijn zij onze vijanden, maar voor God zijn zij dus ook beminden, omdat hij nog steeds dit verbond met hen gaat oprichten. En daarbij toont God zijn barmhartigheid over de ongehoorzamen. Eerst over ons, die als heidenen ongehoorzaam waren, en straks over het verharde deel van Israël dat door hun ongeloof nu ongehoorzaam is. En hierop heeft Paulus zijn lofwoorden geschreven aan het einde van hoofdstuk 11:

de Statenvertaling online
Romeinen 11
33 ¶ O diepte van rijkdom en wijsheid en kennis van God!- hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!
34 Want ‘wie kent het denken van de Heer of wie is Zijn raadsman geweest?
35 Of wie heeft Hem ooit iets gegeven dat Hem teruggegeven zou moeten worden?’-
36 omdat uit Hem en door Hem en tot Hem alle dingen zijn! Aan Hem zij de glorie tot in de eeuwigheden. Amen.


Aan deze prachtige slotwoorden van Paulus is weinig toe te voegen.

Tot slot

Er zijn vele uitleggingen aangaande deze hoofdstukken van Romeinen, die allen hun nuances hebben. En voor velen zijn deze hoofdstukken moeilijk te verstaan. Echter, wanneer men kennis neemt van het nieuwe testament en men in Handelingen ontdekt dat daar meermalen het principe wordt toegelicht dat de apostelen eerst tot de Joden (Israël) gaan en dat wanneer de Joden de boodschap afwijzen, dat de apostelen dan ook juist aan deze Joden verkondigen dat ze dan de boodschap gaan brengen aan de heidenen. En wanneer men Efeze 2 en 3 bestudeert, dan zal men ontdekken dat juist dit laatste een verborgenheid was, namelijk dat die heidenen deel zouden worden aan hetzelfde lichaam. En daarmee deel zouden krijgen aan de beloften en medeerfgenamen zouden worden. De zaken waar Paulus in Romeinen 9 een toelichting op geeft en waarmee deze ook is begonnen.

"Lees ook een uitleg van Romeinen 11 op OpGrondVanDeBijbel.nl"