Home van Bijbeluitleg

Hoe verloren zijn de tien stammen?

Inleiding

Over de 10 stammen van Israël, die in de Assyrische ballingschap terecht kwamen, doen heel wat theorieën de ronde. Ze worden aangeduid als 'de verloren 10 stammen', maar hoe verloren zijn ze eigenlijk? en maakt het Nieuwe Testament onderscheid tussen de begrippen 'Joden', als aanduiding voor de twee stammen en 'Israël' als aanduiding voor de tien stammen? Een studie van de bekende Joodse Bijbelleraar David Baron (1857-1926).

Een apart koninkrijk

In 975 v. Chr. werd onder koning Jerobeam een apart koninkrijk, bestaande uit tien van de twaalf stammen, opgericht. Haar 250-jarige bestaansgeschiedenis is, op incidentele oplevingen na, een lange, trieste opsomming van onrechtmatige machtsovernames, anarchie en geloofsafval. Na veel waarschuwingen en oordelen wordt het tienstammenrijk uiteindelijk in 721 v. Chr. omvergeworpen. De hoofdstad Samaria wordt verwoest en een deel van de bevolking wordt weggevoerd door de Assyriërs en gedwongen te gaan wonen in "Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden" (2 Kon. 17:6 en 1 Kron. 5:26). We zetten een aantal feiten op een rij.

1.
Na de scheuring bestond het koninkrijk van Juda niet alleen uit Juda en Benjamin, maar ook uit Levieten die trouw waren gebleven aan het huis van David en aan het godsdienstige centrum in Jeruzalem. Zelfs de Levieten die in de Noordelijke delen van het land woonden, lieten alles achter om naar Jeruzalem te komen. We kunnen dat lezen in het tweede boek van Kronieken:

de Statenvertaling online
2 Kronieken 11
Rehabeam woonde te Jeruzalem, en hij bouwde in Juda vestingsteden ... 14 Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen.


2.
Behalve Juda, Benjamin en Levi waren er ook velen uit het tienstammenrijk, die trouw bleven aan de Heere en aan de enige plek die Hij voor aanbidding op aarde had aangewezen. Onmiddellijk na de opstand kunnen we lezen dat er "na hen" (d.w.z. naar het voorbeeld van de Levieten) "uit al de stammen van Israël, zij die hun hart erop gezet hadden de HEERE, de God van Israël, te zoeken, te Jeruzalem zijn gekomen, om aan de HEERE, de God hunner vaderen, te offeren. Zij versterkten het koninkrijk Juda" (2 Kron. 11:16, 17)NBG.

de Statenvertaling online
2 Kronieken 11
15 En hij had zich priesteren gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. 16 Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om den HEERE, den God Israëls, te zoeken, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, offerande deden. 17 Alzo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, den zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David, en Salomo.

Gedurende de hele periode van het koninkrijk van Israël hebben gelovige Israëlieten uit de tien stammen zich afgescheiden en aangesloten bij 'Juda'. Dit was voornamelijk het geval tijdens perioden van nationale opleving in het zuidelijke koninkrijk en tijdens de regeringen van koningen die de Heere vreesden en zochten, zoals ten tijde van Asa
de Statenvertaling online
2 Kronieken 15
9 En hij vergaderde het ganse Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat de HEERE, zijn God, met hem was. 10 En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa. 11 En zij offerden den HEERE ten zelfden dage van den roof, dien zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen. 12 En zij traden in een verbond, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, zoeken zouden met hun ganse hart en met hun ganse ziel. 13 En al wie den HEERE, den God Israëls, niet zou zoeken, zou gedood worden, van den kleine tot den grote, en van den man tot de vrouw toe. 14 En zij zwoeren den HEERE met luider stem en met gejuich, desgelijks met trompetten en met bazuinen. 15 En gans Juda was verblijd over dezen eed; want zij hadden met hun ganse hart gezworen, en met hun gansen wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en de HEERE gaf hun rust rondom henen.

3.
Zoals we al zagen, vond de uiteindelijke omverwerping van het Noordelijke koninkrijk plaats in 721 v. Chr. Wanneer we lezen dat 'de koning van Assur Samaria innam en Israël in ballingschap voerde naar Assur', moeten we bedenken dat hij niet het hele volk met zich meevoerde, maar vooral de notabelen en invloedrijken van de natie. Ongetwijfeld bleven velen in het land achter, zoals ook later het geval was na de omverwerping van het Zuidelijke koninkrijk door de Babyloniërs:
de Statenvertaling online
2 Koningen 25
12 Slechts enige van de armen van het land liet de bevelhebber van de lijfwacht achterblijven als wijngaardeniers en als landbouwers.

Als historisch bewijs hiervoor geldt, dat zo'n 100 jaar na de val van Samaria, tijdens de regering van koning Josia, een gedeelte van Manasse en Efraïm en 'een overblijfsel vanuit geheel Israël' zich in het land bevinden en bijdragen aan de inzameling door de Levieten voor de wederopbouw van de Tempel. Ook vierden zij het Pascha mee tijdens het 18e jaar van de regering van deze veelbelovende, jonge koning:
de Statenvertaling online
2 Kronieken 35
18 Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël, den profeet, af; en geen koningen van Israël hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israël, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.

Tegen deze achtergrond moeten we het zuidelijk koninkrijk van 'Juda' zien wanneer ook zij het punt bereiken dat er, vanwege hun afgoderij en geloofsafval van de levende God, geen herstel meer mogelijk is:
de Statenvertaling online
2 Kronieken 36
16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.

Het zuidelijk koninkrijk bestaat op dat moment dus uit Juda, Benjamin, Levi en 'een overblijfsel' uit de andere tien stammen van Israël. Jeruzalem wordt uiteindelijk in 588 voor Christus door Nebukadnezar ingenomen, slechts 133 jaar na de verovering van Samaria door de Assyriërs. Ondertussen wordt het Assyrische Rijk opgevolgd door het Babylonische Rijk. Babel, dat bij tijden reeds als hoofdstad van het Koninkrijk fungeerde, nam de plaats in van Ninevé. Toch was de regio waar Nebukadnezar nu over regeerde dezelfde als waarover Salmanezer en Sargon regeerden, zij het met een iets uitgebreider territorium. In de volgende tekst wordt de koning van Babel de koning van Assyrie (Assur) genoemd:
de Statenvertaling online
2 Koningen 23
29 In zijn dagen trok Farao Neko, de koning van Egypte, naar de koning van Assur, naar de rivier de Eufraat. Koning Josia ging hem tegemoet; en deze doodde hem te Megiddo, zodra hij hem zag.

De stammen tijdens de ballingschap weer bijeen

De exacte verblijfplaats van de ballingen uit het Zuidelijke koninkrijk wordt niet genoemd. De Schrift verklaart dat de drie verschillende groepen van ballingen door Nebukadnezar worden meegenomen 'naar Babel'. De eerste groep tijdens de regering van Jojakim in 606 voor Christus, de tweede tijdens de regering van Joachin in 599 voor Christus en de derde groep bij de uiteindelijke omverwerping van Jeruzalem tijdens de regering van koning Zedekia in 588 voor Christus (zie 2 Kon. 24 en 25; Dan. 1). Babel staat niet alleen voor de stad Babel, maar ook voor het hele land waartoe de grondgebieden van het Assyrische Rijk behoorden alsmede de koloniën van ballingen, die vanuit het Noordelijk koninkrijk van 'Israël' kwamen. Zo zien we bijvoorbeeld Ezechiël, als één van de 10.000 ballingen, die door Nebukadnezar tezamen met Joachin was meegenomen, bij de rivier Chabor in Gozan. Dat is één van de gebieden waar de ballingen van de tien stammen meer dan een eeuw geleden door de Assyriërs waren gebracht. Met de gevangenneming kwam er een einde aan de verdeeldheid en rivaliteit tussen 'Juda' en 'Israël'.

Leden van alle stammen zagen gezamenlijk uit naar het beloofde nationale herstel onder het huis van David en met Sion als geestelijk centrum.

Joël, Amos, Hosea en de andere profeten tot aan de val van Samaria hadden hen die hoop voorgehouden. Die lotsverbondenheid en hoop bevorderde de eenheid onder het volk. De Geschriften van Jeremia, Ezechiël en Daniël, die profeteerden tijdens de ballingschap, geven ons een indruk van de gezamenlijke hoop die onder de leden van de twee koninkrijken leefde. De meest treffende profetie hierover vinden we in Ezechiël.
de Statenvertaling online
Ezechiel 37
16 Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het ganse huis Israëls, zijn metgezellen. 17 Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand.

Het is goed om dit tekstgedeelte in het verband waarin het staat, te lezen van vers 15 - 28.

De gezamelijke terugkeer naar het land

Sinds de eerste groep ballingen in het jaar 606 v.Chr. door Nebukadnezar naar Babylon waren weggevoerd, waren er precies 70 jaren verlopen. We lezen in Ezra het volgende:
de Statenvertaling online
Ezra 1
1 ¶ In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzie, wekte de HEERE, opdat het woord des HEEREN, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzie, op, om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte, deze oproep te doen uitgaan: 2 Zo zegt Kores, de koning van Perzie: alle koninkrijken der aarde heeft de HEERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. 3 Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort, zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwe het huis van de HERE, de God van Israel, dat is de God, die in Jeruzalem woont.

Deze bekendmaking had betrekking op het gehele volk in het gehele koninkrijk. Het decreet werd uitgevaardigd in het jaar 536 v. Chr, twee jaar na de verovering van Babel door Kores. Dit 'gehele koninkrijk' omvatte ruimschoots het gebied waarover Nebukadnezar en zijn opvolgers regeerden. Het koninkrijk van Babel was trouwens identiek aan dat van Assur, waar het tienstammenrijk naar was afgevoerd. Kores en Darius I worden bijvoorbeeld onafhankelijk van elkaar aangeduid met de titels 'Koning van Perzië' (Ezra 4:5), 'Koning van Babel' (Ezra 5:13) en 'Koning van Assur' (Ezra 6:22).

De oproep van Kores bracht een karavaan naar het beloofde land op de been van: "tweeënveertigduizend driehonderd zestig, behalve hun knechten en hun maagden, die waren zevenduizend driehonderd zevenendertig, en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen" (Ezra 2:64, 65). Onder leiding van Zerubbabel (afstammeling uit het koningshuis van David), gingen zij van Babel op weg naar Jeruzalem. De leiders van de teruggekeerde ballingen waren "de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten". Maar onder hun leiding reisden ook ballingen uit de andere stammen, nl. "een ieder, wiens geest God verwekte:
de Statenvertaling online
Ezra 1
5 ¶ Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesteren en de Levieten, benevens een iegelijk, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des HEEREN, die te Jeruzalem woont.

Ze werden alleen niet langer genoemd naar de stam waartoe zij behoorden, maar naar hun families en naar hun steden waar zij ooit gewoond hadden. Het is daardoor moeilijk vast te stellen hoeveel er tot Juda en hoeveel er tot Israël behoorden. Maar dat er zich in het gezelschap velen uit het Noordelijke rijk bevonden, is duidelijk. Zo wordt er gesproken over 223 mannen van Bethel en Ai (Ezra 2:28). Bethel was het centrum van aanbidding van oude heidense goden ingesteld door Jerobeam. Hoewel Bethel op de grens van Benjamin lag, behoorde het tot Efraïm.

De tweede terugkeer

Naar aanleiding van het besluit van Artaxerxes Longimanus in het jaar 458 v. Chr. komt Ezra met nog een groep uit Babel. Een gedeelte van dit koninklijke besluit luidt: "Door mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van zijn priesters en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga". Gevolg:
de Statenvertaling online
Ezra 7

7 Ook van de kinderen Israëls, en van de priesteren en de Levieten, en de zangers, en de poortiers, en de Nethinim, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van den koning Arthahsasta.

Deze groep bestond uit ongeveer 1800 families, de priesters, de Levieten en de tempelhorigen niet meegerekend. Het waren 'de kinderen Israëls' ongeacht uit welke stam. Zij kwamen uit alle delen van het Assyrische of Babylonische rijk dat inmiddels terecht was gekomen onder de heerschappij van de Meden en Perzen.

Welke stammen kwamen terug uit de ballingschap?

Het volk in Israël groeide en groeide tot de tijd van de Maccabeeën, zo'n 150 jaar later. Nog eens 150 jaar later, bevinden we ons in de tijd van de Heere Jezus en is de Joodse populatie in Palestina uitgegroeid tot enkele miljoenen. Vanaf het verval van het Perzische rijk, horen we weinig over de Israëlitische ballingschap in het oude Assur of Babel. Door de verovering van Alexander de Grote kwamen de streken van Babylonië en Media dichterbij. Er werd zelfs een hoofdweg gebaand tussen het oosten en het westen. Vanaf die tijd ontstonden nederzettingen van Joden in Klein-Azië, Cyprus, Kreta en aan de kusten en op de eilanden van de Egeïsche Zee, in Macedonië en in andere delen van Zuid-Europa, in Egypte en in de gehele Noordelijke kust van Afrika. Zelfs vonden zij hun weg verder oostwaarts tot in India en China aan toe. Zonder enige twijfel werden veel van deze nederzettingen in de diaspora gevormd door degenen die nooit uit de ballingschap naar het land der vaderen waren teruggekeerd. Dat zij echter tot alle twaalf stammen behoorden, blijkt wel o.a. uit het feit dat Jacobus zijn brief richt aan de twaalf stammen die in de verstrooiing (letterlijk 'diaspora' red.) zijn (Jac. 1:1). Twaalf stammen en dus geen verloren stammen!

De algemene situatie in de tijd van Christus

Al sinds het gedeeltelijk herstel in de dagen van Cyrus en zijn opvolgers, zo'n zes eeuwen voor Christus, stonden de nakomelingen van Abraham niet meer bekend als afzonderlijke stammen, maar als één volk. Dat neemt niet weg dat de stammen en geslachtsregisters, met name van de inwoners van het land tot aan de verwoesting van de tweede Tempel, grotendeels bewaard waren gebleven. De overgrote meerderheid bevond zich echter nog in de diaspora, waar zij talrijke gemeenschappen vormden. Maar waar ze ook verstrooid waren en tot welke stam ze ook behoorden, Jeruzalem was en bleef voor hen het nationale centrum. Met uitzondering van diegenen die geassimileerd waren, ervoer de rest van de verstrooiden zich één met hun broeders in het Heilige Land. Ze kwamen immers uit hetzelfde nest, hadden hetzelfde fundament, koesterden dezelfde herinneringen en zagen uit naar dezelfde toekomst. Tijdens de Opgangsfeesten (Pesach, Pinksteren en het Loofhuttenfeest, red.) maakten velen van hen een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Zo kon Philo aan de Romeinse Keizer Caligula meedelen dat 'Jeruzalem niet alleen als hoofdstad van Judea beschouwd moest worden, maar als het centrum van een natie, verspreid over oneindig veel plaatsen, die hem bekwame versterking kon leveren voor zijn verdediging'. Onder de gebieden waar Joden verbleven, rekende hij de eilanden Cyprus en Kandia, Egypte, Macedonië en Bythinië, alsmede het rijk van de Perzen en de steden in het Oosten, met uitzondering van Babylon, van waaruit ze toen deels verdreven waren. Zo wordt bijvoorbeeld in Handelingen 2 meegedeeld dat op de Pinksterdag (en ongetwijfeld ook op het voorafgaande Paasfeest toen de kruisiging plaatsvond), vertegenwoordigers uit de diaspora in Jeruzalem aanwezig waren. Lukas, de auteur van het boek Handelingen, schrijft:
de Statenvertaling online
Handelingen 2
9 Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judéa, en Cappadocie, Pontus en Azie. 10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libyë, hetwelk bij Cyréne ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten; 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.

In het bonte gezelschap van deze kosmopolitische Joden, bevonden zich vertegenwoordigers van Israëlitische nederzettingen in gebieden waar naartoe ze zeven eeuwen tevoren door de Assyriërs en Babyloniërs waren weggevoerd. Toch worden zij allen Joden genoemd en beschouwden zij Jeruzalem als hun nationale hoofdstad.

Jood en Israëliet

De namen 'Jood' en 'Israëliet' zijn dan ook synoniem sinds de tijd van de ballingschap. Het is on-Bijbels te veronderstellen dat de aanduiding 'Jood' alleen op een biologische afstammeling van Juda betrekking heeft. Met 'Jood' werd iedere nakomeling van Jacob aangeduid die zichzelf rekende (of gerekend werd) tot het theocratisch Koninkrijk van Juda. Althans, zij verwachtten de vestiging daarvan door de beloofde 'Zoon van David', de Leeuw uit de stam van Juda. Zijn heerschappij zou zich uitstrekken over 'alle stammen des lands' en 'van zee tot zee en van de rivier tot het einde der aarde' (Zach. 9:10).

Doordat de tien stammen niet langer politiek onafhankelijk waren, werd 'Jood' de gebruikelijke naam voor alle Israëlieten die hun identiteit wilden bewaren. Een identiteit die nauw verbonden was met het koninkrijk van Juda en het huis van David. De bewering dat leden van de tien stammen nooit Joden genoemd werden en dat Joden geen Israëlieten zijn, is onjuist. In onze vorige aflevering zagen we reeds dat niet alleen de ballingen van het zuidelijke koninkrijk van Juda uit Babel terugkeerden en de naam 'Joden' droegen. In het boek Ezra wordt het overblijfsel slechts acht keer aangeduid als 'Joden' en niet minder dan veertig keer als 'Israël'. In het boek Nehemia worden ze 11 keer 'Joden' genoemd en 22 keer 'Israël'. In het boek Esther, waar we de periode beschreven vinden die volgt op die van het gedeeltelijke herstel onder Zerubbabel en Jozua, worden degenen die in 127 provincies van het Perzische Rijk (inclusief de gebieden van het oude Assyrië) achterbleven, 45 keer 'Joden' genoemd en niet één keer 'Israël'. In het Nieuwe Testament wordt hetzelfde volk 174 keer als 'Joden' aangeduid en niet minder dan 75 keer met 'Israël'.

Aanhangers van bijvoorbeeld de Brits-Israël beweging beweren dat alleen afstammelingen van de stam Juda Joden zijn. Paulus daarentegen noemt zichzelf de ene keer 'een Jood' en de andere keer 'een Israëliet' (Hand. 21:39; Rom. 11:1; 2 Cor. 11:22; Fil.3:5).
Onze Heere was uit het geslacht van David en wat het vlees betreft uit de stam Juda, 'een Jood'. Toch staat er in Romeienen 9 geschreven dat uit de Israelieten de Christus is, "Die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid!". Zo was de gelovige Anna een Jodin in Jeruzalem, maar tegelijk 'uit de stam Aser', die behoorde tot het Noordelijke tienstammenrijk (Luk. 2:36).

Aanvullende notitie:

In de studie van Baron, wordt wel aangegeven dat de 10 stammers zich ook onder de teruggekeerde ballingen bevond, maar hierbij worden niet expliciet namen van stammen genoemd. In 1 Kronieken 9 is dit wel het geval:
de Statenvertaling online
1 Kronieken 9
1 En gans Israël werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, om hunner overtredingen wil. 2 De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim. 3 Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;

De stammen Efraim en Manasse bevonden zich dus te Jeruzalem na de ballingschap.

Op de site van Bijbeluitleg.nl is ook een studie aanwezig over: Aan wie behoort de naam Israel?
In deze studie worden ook zaken behandeld die terugkomen in de studie van David Baron.
En wordt ook onderbouwing gegeven voor sommige van de bovenstaande conclusies.

Bovenstaande studie van David Baron is onlangs verschenen in het blad: "Israel en de Bijbel" , waaruit ook delen zijn overgenomen.