Home van Bijbeluitleg

Wie is de Naaste?

Inleiding

Veelal worden de woorden: "Je naaste liefhebben" te pas en te onpas toegepast onder de Christenen. Vaak gaat het om liefdadigheid voor mensen in nood, dat wordt gezien als naastenliefde. Maar anderen zeggen dat het gaat om mensen om je heen, de mensen die je dagelijks treft. Weer anderen zeggen, nee, dat zijn de mensen van je geloofsgemeenschap. Nog weer anderen zeggen dat het de arme mensen zijn, in de derde wereld..... Misschien rijst bij u ook de vraag: Wie is mijn naaste? Laten we eens kijken wat de Here Jezus hier zelf over zegt!



De barmhartige Samaritaan

In de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan wordt uitgelegd wie de Naaste nu eigenlijk is. Maar hier gaat nog een zeer essentieel gedeelte aan vooraf (de context). Het begint namelijk met de vraag: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beŽrven?
de Statenvertaling online
Lukas 10:25-29
25 En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide : Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beŽrven?
26 En Hij zeide tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?
27 Hij antwoordde en zeide: Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf .
28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven.
29 Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?


De hoofdvraag is dus: Hoe kan ik het eeuwige leven beŽrven? Daarbinnen ligt dan de vraag: Wie is mijn naaste?
de Statenvertaling online Lukas 10:30-37

30 Daarop hernam Jezus en zeide:
Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden,
maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen.
31 Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij.
32 Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij.
33 Doch een Samaritaan, die op reis was , kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag,
werd hij met ontferming bewogen.
34 En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op;
en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem.
35 En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zeide:
Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis .
36 Wie van deze drie dunkt u , dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen?
37 Hij zeide: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zeide tot hem: Ga heen, doe gij evenzo.


Als je oppervlakkering leest, lijkt de gelijkenis te vertellen dat wij de zwakkeren moeten helpen, maar deze gelijkenis vertelt iets anders: Want het antwoord op de vraag: Wie is de naaste? Volgens deze gelijkenis is diegene die barmhartigheid bewezen heeft de naaste en niet de zwakkere (vers 36, 37).




Wat betekent de gelijkenis?


De verkeerde kant op?
In de Bijbel komt typologie veelal voor, zogezegd zaken verwijzen ergens naar. Alles in deze gelijkenis wijst een bepaalde richting op en wijst naar een bepaalde situatie. Het begint al bij de eerste zin, waar staat dat de weg die degene afloopt is naar Jericho toe, niet naar Jeruzalem toe, maar er vanaf. Kort gezegd is dit de verkeerde kant op, want in de typologie staat Jeruzalem voor de hemel en staat Jericho voor de wereld. Eigenlijk beeld dit meteen al een mens uit die zich van God afkeert en de wereld ingaat. Onderweg naar beneden wordt hij overvallen en hij was ten dode opgeschreven.

De religieuzen
De priester ging ook niet naar Jeruzalem toe, hij ging de weg naar beneden. De priester en Leviet waren de wetgeleerden van die tijd,
de priester leerde de mensen over de wet en dat de Leviet begeleidde de ceremoniŽle handelingen. Ze verwijzen beiden naar de wet, naar de twee kanten van de wet, de morele en ceremoniŽle. Maar noch de geboden, noch het bloed van de offerdieren kan ons het Leven geven (Hebr 10:4).
De wet kan de doodgaande mens niet redden. Doordat de mens per definitie zondigt, zal hij sterven. En dat zie je ook in de gelijkenis naar voren komen, de wet kan de mens die ten dode opgeschreven is niet redden. Want beiden hielpen ze hem niet.

de Barmhartige Samaritaan
De Samaritaan, waarheen ging die? Die reisde. Zo beschrijft de Heer zichzelf vaker in andere gelijkenissen, zoals bijvoorbeeld in de gelijkenis van ponden (Lukas 19), talenten (MatthŽus 25) en de boze wijngaardeniers (Marcus 12).
In tegenstelling tot priester en de Leviet, kon kon hij de man wel redden. De Barmhartige Samaritaan werd met ontferming bewogen, wat ook wederom een verwijzing is: Want dat wordt ook vaak over de Here Jezus gezegd door zowel MatthŽus, Markus en Lukas. En de Here Jezus kon de mens die ten dode opgeschreven was wel redden, iets wat de wet niet kon (Galaten 3:21).

De gewonde
Dan de gewonde, dat is iemand die ten dode opgeschreven is. Iemand die niet door de wet gered kan worden, maar wel gered wil worden.
Dat zijn in eerste plaats de Joden. De wet kon hen niet redden (rechtvaardigen), maar de Heere Jezus wel. Vervolgens gaat het ook verder over op ons, gelovigen uit de heidenen. 

De Barmhartige Samaritaan verbond onze wonden en goot er olie en wijn op. Olie is een beeld van de Heilige Geest en Wijn ook. Wij worden gered van de door dood en de opstanding van de Here Jezus. Zijn Geest maakt onze sterfelijke lichamen weer levend (Rom 8:11). De Here Jezus draagt ons naar de Herberg en laat ons daar verzorgen, Hij draagt zelf zorg voor ons. Hij heeft de prijs betaald voor ons en staat borg dat hij altijd de schuld zal voldoen.

Daarnaast verwijzen de 2 schellingen naar de 2 van de Gemeente, bijvoorbeeld de 2000 jaar van de Gemeente.

De Naaste is de Here Jezus


Wie is dus de Naaste?
En dat is dat ook de vraag die de Here Jezus stelt: Niet wie is de naaste van de Samaritaan, maar wie is de Naaste van de man die daar lag!
En dat is nu net waar het om gaat: Je naaste liefhebben is dus in de eerste plaats Jezus, je Redder liefhebben. Diegene liefhebben die jou barmhartigheid heeft getoond.

De hoofdvraag was ook: Hoe zou ik het Eeuwige Leven kunnen beŽrven? En dat is natuurlijk niet met goeddoen aan de zwakkeren (door werken),
maar door God liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand en de Naaste lief te hebben als jezelf.


De twee geboden zijn ťťn

Als de Here Jezus dus Zelf de Naaste is, dan zijn de twee geboden dus eigenlijk ťťnzelfde gebod.
En dit wordt ook bevestigd in andere schriftgedeelten:
de Statenvertaling online
Markus 12
29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, IsraŽl! de Heere, onze God, is een enig Heere.
30 En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel,
en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
31 En het tweede aan dit gelijk, is dit : Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
Er is geen ander gebod , groter dan deze.
Dus het tweede gebod is aan het eerste gelijk! En er staat groter dan deze, niet dezen, dus enkelvoud. Wat dus betekent dat het hier om eigelijk 1 gebod gaat. Zo staat ook in MatthŽus het volgende:
de Statenvertaling online
MatthŽus 22
36 Meester! welk is het grote gebod in de wet?
37 En Jezus zeide tot hem:
Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart,en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand .
38 Dit is het eerste en het grote gebod.
39 En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven .
40 Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten
Dus ook hier blijkt dat de twee geboden gelijk zijn, wat ook in de gelijkenis naar voren komt.



De conclusie

De Here Jezus is onze Naaste en hem zouden we liefhebben als onszelf. Als IsraŽl dat gedaan had, dan hadden ze het eeuwige leven kunnen beŽrven. Maar zij hadden hun naaste niet lief. Wij Christenen hebben wel de Here Jezus lief, door ons geloof in Hem. Daarmee komen we weer terug bij wat altijd de voorwaarde is om het eeuwige Leven te beŽrven: Geloof in Jezus Christus als de Zoon van God.

Omdat de Here Jezus onze Naaste is, moeten wij hem liefhebben. En de Here Jezus Christus woont ook in onze broeder of zuster:
Die broeder/zuster zou je ook lief moeten hebben omdat Christus in hem/haar is. Dit is ook waar 1Johannes 2 en 3 over spreekt.
de Statenvertaling online
1Johannes 3:23
3: 23 En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben , gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.
Als we Christus liefhebben, dan zouden we ook zijn Lichaam liefhebben. Dat zijn onze broeders en zusters, waarmee Hij ťťn is en wij met hen.

tot slot